De zurige lucht van fastfoodkots en parfums maakt me kotsmisselijk. Het is zaterdagavond en ik moet rillen van de koude wind. De bezopen wijven met hun dunne jurkjes en hoge hakken voelen niets door hun vettige pinguïnhuid. Heftig kakelend ondersteunen ze elkaar om niet op hun bek te gaan. Dan weer kijken ze met een glazige blik zoekend rond, verloren in hun zoektocht naar iets wat ze zich zelf niet meer herinneren. Hun zelfrespect zal het hoe dan ook niet zijn. Zoals ze daar lopen met hun kwabbige armen en druipende foefen. Er zullen wel ijspegels hangen in die Britse druipsteengrotten van ze. Vieze meisjes zijn het. Ze slepen mannen mee naar hun plakkerige hollen met aangekoekte ranzigheid. Maar dat houden ze angstvallig verborgen. Een strak jurkje, of het vlees er aan alle kanten uitpuilt of niet, een laag make-up er op met het plamuurmes, een walm parfum en een paar hoge hakken waar zelfs nuchter nauwelijks op te lopen is. Alles om af te leiden van die rotkoppen. De weinige fijne exemplaren die er tussen zitten compenseren hun gebrek aan overgewicht met overwicht en arrogantie. Staan ze daar een beetje te posten op de hoek van de straat, alsof ze wachten op klandizie. Van binnen zijn het natuurlijk heel gevoelige en onzekere meisjes die eigenlijk alleen maar op zoek zijn naar tedere liefkozing, maar om de een of andere reden telkens stuiten op ongevoelige macho’s die het alleen maar om het neuken te doen is. Misschien moeten ze zich dan eens in iets degelijks hijsen in plaats van er bij te lopen als een goedkope wipkip met afwerkbonus. Alsof ze rechtstreeks uit één van de tv-schermen in de pub zijn gelopen waarop een rapper onbetekenende teksten verkoopt tegen een achtergrond van halfnaakte wulpse sloeries. Vrouwen bij de vleet, van de hand in de tand, in de spleet. Geëmancipeerde gebruiksvoorwerpen, vrijgevochten en bandeloos, ongegeneerd en laveloos. Zelfs het lantaarnlicht kan hun aanblik niet verdragen. Dan maar de duisternis in, tot laat in de nacht dansen. Maar dat blijkt het hol van de leeuw. Schaamteloos gevoos in zweterige hollen met monotoon gedreun en hersendodend gesnuif. Flessen op tafels met gespreide benen eronder. Klamme dansvloeren met ranzig gesjans. Kotsend op de plee, met de blote knietjes op de natte tegels, gallige smurrie in het geblondeerde pornohaar en een geur van stinkende mossel.
-
Thuiskomen
@ 2009-05-11 – 18:58:16
Na maanden van snoeihard werken en regelmatig reizen ben ik weer thuis. Ik parkeer m’n fiets op het enige vrije plekje dat ik kan vinden op de Lange Mare. Het is een zonnige zaterdagmiddag en ouderwets druk in de stad. Alle elementen van het Leidse weekend zijn daar: de Haarlemmerstraat en Nieuwe Rijn gevuld met Leids volk, de markt voor de wekelijkse portie fruit en kaas, het draaiorgel met haar ambetante klanken, de stroopwafelkraam voor een grote warme unit, de sigarenboer voor de weekendeditie van het NRC, de Italiaanse traiteur voor een broodje, terrasjes voor een biertje in de lentezon. Met een zucht glimlach ik de spanning uit mijn lijf en begin te lopen door de straten die er voor mij altijd al waren. De stad als een warm bad. Toch mis ik iets. Het werk heeft de afgelopen maanden mijn gedachten zo beheerst dat ik moeite kreeg met slapen en het vaak aan creatieve inspiratie ontbrak. Leiden, mijn kleine paradijsje, brengt ontspanning. Maar de inspiratie ontbreekt. Ik loop door de straten rondom de Pieterskerk en het Rapenburg, sla af en toe een hofje in, en zet me op bankjes in de parken. De tijd kruipt omgemerkt voorbij terwijl ik kijk naar de bloeiende begroeiing aan de liefelijke huisjes op de Vliet, de verzakte wevershuisjes op de Herengracht, de imposante gevels van de pakhuizen op de Oude Rijn en de muurgedichten die op de meest onverwachte plekken zijn aangebracht. Overal is het stil. Er gebeurt weinig, er is geen mens op straat. Een hond passeert, een fiets. Als de kerkklokken slaan, houdt zelfs de wind zich een moment stil, wetende dat alles nog altijd hetzelfde is en ook zo zal blijven. Het zachte en zuivere geluid vult kortstondig de stilte die er heerst tussen de grachtenpanden die soms van binnen volledig uitgewoond zijn door generaties studenten. Monumentale gevels met muffige fusies. Zo is Leiden, ongebreideld mooi en aloud. Stokstijf als het standbeeld van burgemeester van der Werff aan de Steenschuur, waar ik naartoe ben gegaan in de hoop dat hij me net zo zal weten te inspireren als de burgers van de stad tijdens het beleg door de Spanjaarden. De stilte van zijn heldhaftige pose toont Leiden, rijk aan tradities, klein in ambities. Mezelf verliezen in deze stad is lastig. Er is geen hectiek, er zijn geen grote problemen, duizelingwekkende oude gebouwen, drommen toeristen, of extravert publiek om in meegesleurd te worden. Van alles is er een beetje. Maar vooral is er stilte. Ruimte om de geest vrij te maken voor nieuwe inspiratie, om jezelf te zoeken en te vinden, om telkens weer thuis te komen.