Ongeduldig wacht ik op een taxi. De ladderzatte rij voor me lijkt zich een stuk minder te bekommeren om het wachten op een vervoersmiddel naar huis. Lopen op dit tijdstip is niet veilig. Te veel dronken idioten en overvallers met messen. Om middernacht lopen op zaterdag de pubs leeg. Overal schreeuwende debielen. De verplichte sluitingstijd kan niet vroeg genoeg komen. De 43 miljoen pond die dit jaar naar de bestrijding van alcoholisme gaat in dit land verdwijnt in een put zo bodemloos als de kelen van die malloten. Slappe zakken. Alle oude mannen dezelfde aardappelneuzen waar de paarse aderen dik doorheen schijnen in contrast met de rode konen die hun grauwige witte huid kleurt. De jongeren steken opgepompt in hun strakke shirtjes waar de kettinkjes overheen hangen. Al voor etenstijd staan ze van alle generaties wankelend voor de deur van de pub aan een sigaretje te lurken. Geen enkele zelfbeheersing, geen eigenwaarde, geen doel in het leven. Het is altijd oppassen geblazen om op straat niet tegen zo’n zwalkende lamzak op te botsen. Op weg naar een grauw flatje waar zijn ellendige leven zich afspeelt tegen een decor van bevuilde muren en ranzige vloeren. Een zielig en sneu bestaan van drank, ongeluk en klaagzang. Ik schrik op van een kerel die plots omvalt en op straat terecht komt achter een zojuist gearriveerde taxi. Een hels gelach breekt los. Een paar van die lamlullen raken in een discussie terwijl ze het aan een popje op wankele hakken overlaten hun maat overeind te helpen. Onbeschaamd schreeuwen ze onverstaanbare woorden de nacht in. Agressief en plompverloren. Overal om me heen is geschreeuw, uitdagende blikken kruisen, een eerste provocatie is op handen. Als ze het toch ook maar één keer in hun zatte kop zouden halen om zoveel als een vinger naar mijn meisje uit te steken stuur ik ze met één klap naar een andere wereld. Met een doffe dreun zouden ze op de natte stoep vallen en met hun kortgeschoren kop in een plakkerige plas bloed zich verder verwijderd voelen van de wereld dan ooit tevoren. Lang zou ik van zo’n heldemansdaad niet kunnen nagenieten, aangezien ik belaagd zou worden door een groep dronken maten die met hun apeharses de waarde van het verdedigen van een vrouws eer niet zouden kunnen vatten. Als men zijn leven lief is laat men elke onfatsoenlijkheid moedwillig over zich heen komen. Liever kijkt men als een klein muisje gevangen in een hoek trillend voor zich uit in de angst voor ongeremde bruutheid. Dan is het plots voorbij, de massa valt stil. Glazig staren ze voor zich uit tussen omvallen en aanvallen in.